Sanne werkt op de financiële administratie van een middelgroot bedrijf. Haar collega's kennen twee versies van haar. De ene versie bouwt op een vrijdagmiddag een rapportage waar de afdeling maanden op heeft gewacht, vergeet te lunchen en stuurt om tien over zes een mail met 'klaar, kijk maar even'. De andere versie zit drie dagen op een declaratieformulier van vier regels. Ze weet dat het moet. Ze wil het ook. Het gebeurt gewoon niet.
Voor wie het van buiten bekijkt, is dat moeilijk te rijmen. Als je zoiets moeilijks kunt, waarom dan niet iets simpels? Voor Sanne zelf is het net zo raadselachtig, en na jaren komt daar vaak schaamte bovenop. Toch is er een verklaring die past bij wat onderzoekers in het brein zien.
Wat er in het brein anders loopt
In 2009 publiceerde een team onder leiding van Nora Volkow in het tijdschrift JAMA een studie waarin ze de hersenen van 53 volwassenen met ADHD vergeleken met die van 44 volwassenen zonder ADHD. Met PET-scans maten ze hoeveel dopaminereceptoren en dopaminetransporters er beschikbaar waren in bepaalde hersengebieden. Dopamine is een stof waarmee hersencellen met elkaar praten. Een van de netwerken waarin dopamine een hoofdrol speelt, is het beloningssysteem: de gebieden die aanslaan als iets de moeite waard lijkt.
Bij de deelnemers met ADHD waren er in twee delen van dat beloningssysteem, de nucleus accumbens en de middenhersenen, gemiddeld minder van die receptoren en transporters beschikbaar. En hoe minder ervan, hoe meer aandachtsproblemen de deelnemers rapporteerden. De onderzoekers schreven zelf voorzichtig dat dit past bij het idee dat het beloningssysteem bij ADHD minder goed reageert. Ze hadden de gevoeligheid voor beloning niet los gemeten, dus die stap blijft een interpretatie. Het zijn ook gemiddelden van groepen. Aan één scan kun je niet zien of iemand ADHD heeft.
Wat zo'n verschil in de praktijk doet, is uitgewerkt door onderzoekers als Gail Tripp en Jeff Wickens. Normaal gesproken leert het brein om een dopaminesignaal af te geven zodra iets een beloning aankondigt. Je ziet de koffiekar de gang in rijden en je bent al blij, nog voor je koffie hebt. Volgens Tripp en Wickens verloopt dat vooruitschuiven van het signaal bij ADHD minder goed. Het gevolg: een beloning die pas over drie weken komt, voelt nu niet als een beloning. Er is niets dat trekt. Een overzichtsstudie van Luman, Oosterlaan en Sergeant liet al in 2005 zien dat kinderen met ADHD in experimenten vaker kiezen voor een kleinere beloning nu boven een grotere later, sterker dan andere kinderen.
Interesse als motor
Zet die twee dingen naast elkaar en Sannes week wordt logischer. Het declaratieformulier heeft een beloning die ver weg is en klein: geld dat toch wel komt, een vinkje in een systeem. De rapportage was nieuw, ingewikkeld, en er zat een deadline achter waar mensen op wachtten. Dat zijn precies de dingen die het beloningssysteem wel in beweging krijgen: iets dat interessant of nieuw is, of dat nu urgent is.
De Amerikaanse psychiater William Dodson noemt dit een 'interest-based nervous system', een zenuwstelsel dat op interesse draait. Goed om te weten: dit is een observatie uit zijn spreekkamer, geen theorie die in onderzoek is getoetst. Maar het beschrijft iets dat veel mensen met ADHD direct herkennen, en het sluit aan bij wat de dopaminestudies laten zien. Iets belangrijk vinden is bij ADHD vaak te weinig om in beweging te komen. Iets interessant vinden werkt beter. Urgentie werkt bijna altijd, en dat verklaart waarom zoveel mensen met ADHD pas de avond voor een deadline op stoom komen.
Hyperfocus: de andere kant van dezelfde munt
Als iets wel trekt, kan het brein er soms nauwelijks meer van los. Uren verdwijnen. Berichten blijven ongelezen, eten wordt vergeten, de afspraak van drie uur ook. Dat wordt hyperfocus genoemd.
Lang was hyperfocus vooral iets waar mensen over praatten en waar weinig onderzoek naar was. In 2019 onderzochten Kathleen Hupfeld en collega's het bij twee groepen volwassenen, in totaal ruim zeshonderd mensen. Deelnemers met meer ADHD-kenmerken meldden vaker en sterkere hyperfocus, op school, bij hobby's en achter een scherm. In een overzichtsartikel uit 2021 concludeerden Brandon Ashinoff en Ahmad Abu-Akel dat het verschijnsel nog slecht is gedefinieerd en dat er weinig goede studies zijn. Ze stellen een omschrijving voor: aandacht die door betrokkenheid bij een taak zo intens wordt dat je de omgeving nauwelijks nog opmerkt, terwijl de taak zelf meestal beter gaat.
Hyperfocus en verstrooidheid lijken tegenpolen, maar komen waarschijnlijk uit hetzelfde systeem. Het brein regelt aandacht minder op commando en meer op wat de taak losmaakt. Bij een saaie taak glijdt de aandacht weg. Bij een taak die pakt, glijdt al het andere weg.
Als het stilvalt
Het stilvallen op een simpele taak heeft in de volksmond namen als 'ADHD paralysis' of 'task paralysis'. Dat zijn geen wetenschappelijke termen. In onderzoek heet het uitstelgedrag en moeite met het starten van taken. Een kleine studie van Niermann en Scheres uit 2014 onder studenten vond dat vooral de aandachtskenmerken van ADHD samenhangen met uitstellen, meer dan hyperactiviteit of impulsiviteit. Het is een eerste vinding met 54 deelnemers, dus geen bewijs waar je een gebouw op zet. Maar het past in het beeld dat uitstellen bij ADHD weinig met willen te maken heeft. Het systeem dat 'de moeite waard' moet zeggen, zegt het gewoon niet.