Het is woensdag. Farid moet zijn uren van vorige week invullen; het systeem staat op rood. Hij weet zeker dat hij maandag aan het klantproject heeft gewerkt. Was dat drie uur of vijf? En dinsdag, was dat de dag van die lange vergadering, of was dat donderdag? Hij vult iets in dat aannemelijk lijkt. Ondertussen ligt er een offerte die over twee weken de deur uit moet. Twee weken voelt als een andere planeet. Hij begint eraan op de avond voor de deadline, om elf uur, en levert om half vier 's nachts iets in waar hij eigenlijk best tevreden over is.
Farid heeft geen slechte werkhouding. Hij heeft een brein dat tijd anders registreert, en daar is behoorlijk wat onderzoek naar gedaan.
Wat er gemeten is
Russell Barkley, een van de meest geciteerde ADHD-onderzoekers, liet in 2001 samen met Kevin Murphy en Tracie Bush 104 volwassenen met ADHD en 64 volwassenen zonder ADHD tijdsintervallen schatten en nadoen. Bij het nadoen hoor je bijvoorbeeld een toon van 45 seconden en moet je daarna zelf aangeven wanneer er 45 seconden voorbij zijn. De deelnemers met ADHD stopten structureel te vroeg en zaten er verder naast. Dat verschil bleef bestaan nadat de onderzoekers hadden gecorrigeerd voor intelligentie, angst, depressie en gedragsproblemen. Het tijdsgevoel zelf wijkt af, los van de rest.
In 2013 zetten Valdas Noreika, Christine Falter en Katya Rubia alle studies hierover op een rij. Hun conclusie: mensen met ADHD hebben consequent moeite met timing op drie fronten. Motorisch (in de maat blijven), waarnemend (hoe lang duurde dat?) en vooruitkijkend (hoe lang gaat dit duren, en hoeveel is een beloning over drie weken nu waard?). Die problemen komen voor op tijdschalen van milliseconden tot jaren, en ze blijven bestaan als je corrigeert voor werkgeheugen en aandacht. Op hersenscans is te zien dat netwerken die tijd verwerken, in de frontale kwab, de basale ganglia en de kleine hersenen, bij ADHD anders werken. Methylfenidaat, het meest gebruikte ADHD-medicijn, vermindert de meeste van deze timingproblemen.
Barkley heeft hier al in de jaren negentig een grotere theorie omheen gebouwd. In zijn model is ADHD in de kern een probleem met zelfsturing over tijd: het vermogen om iets dat je nu doet te koppelen aan iets dat later komt. Hij noemt dat 'time blindness' of 'temporal myopia', bijziendheid voor tijd. Wat dichtbij is, zie je scherp. Wat verder weg ligt, is een waas.
Nu en niet nu
In ADHD-kringen wordt dit vaak samengevat met een zin die geen wetenschappelijke term is maar wel precies raakt waar het om gaat: er zijn maar twee tijden, nu en niet nu. Een deadline over twee weken is 'niet nu'. Een deadline morgen is 'nu', en dan komt alles los. Een vergadering over een uur is 'niet nu', tot iemand belt waar je blijft.
Dat verklaart een hele reeks dingen die op het werk als slordigheid overkomen. Te laat komen terwijl je op tijd was opgestaan, omdat het vertrek nog steeds 'niet nu' was toen je die ene mail ging lezen. Een maandelijkse urenstaat die nooit klopt, omdat achteraf inschatten hoe lang iets duurde precies de vaardigheid is die afwijkt. Grote projecten die pas in de laatste 48 uur gebeuren. Een langetermijnplanning die op papier prima is en in de praktijk niets doet, omdat een plan in je hoofd of in een document net zo 'niet nu' is als de deadline zelf.
Het vervelende is dat dit vaak wel goed afloopt. Farids offerte was prima. Het probleem zit in wat het kost: nachten, stress, collega's die niet weten waar ze aan toe zijn, en het risico dat het één keer echt misgaat.
Tijd naar buiten halen
Barkleys advies volgt direct uit zijn theorie. Als het brein tijd van binnen niet goed voelt, moet je tijd van buiten zichtbaar maken. En als het brein dingen die ver weg zijn niet meeneemt, moet je de afstand verkleinen: het moment van doen, het moment van resultaat en het moment van gevolg zo dicht mogelijk bij elkaar brengen.
In de praktijk zijn dat geen ingewikkelde dingen. Een analoge klok of een timer waarop je de tijd letterlijk ziet krimpen, in plaats van een digitale klok die alleen een getal geeft. Een deadline over twee weken opgeknipt in vier kleine deadlines, elk met een moment waarop iemand ernaar vraagt. Een agenda die vijftien minuten voor vertrek piept, en niet pas op het moment van de afspraak. Uren invullen aan het einde van elke dag, als de dag nog 'nu' is.